Caroline Ven (CEO Pharma.be)
“We moeten blijven investeren in onze wetenschappelijke excellentie”
De Belgische biofarmaceutische sector behoort al jaren tot de Europese top. Maar in een snel veranderende geopolitieke en economische context staat die sterke positie onder druk. Hoe houdt België zijn voorsprong vast? Welke rol spelen universiteiten, investeringen en internationale markten? We gingen in gesprek met econoom Caroline Ven, CEO van pharma.be en lid van de FEB Business & Society Council. Dit interview maakt deel uit van een tweeluik met Access-to-Medicines (ATM), een interdisciplinair onderzoekscentrum verbonden aan onze faculteit.
Uw sector wordt vaak omschreven als een sterk geconnecteerd netwerk met diverse spelers. Wat maakt dat netwerk zo sterk?
Caroline Ven: De sterkte van de biofarmasector in België ligt in onze aanwezigheid doorheen de volledige waardeketen. Die begint bij excellent onderzoek aan universiteiten en instellingen zoals het VIB. Daarnaast hebben we een sterke positie in klinisch onderzoek, waarbij de zeven universitaire ziekenhuizen een belangrijke rol spelen. Patiënten krijgen daardoor snel toegang tot innovatieve behandelingen. De industrie investeert jaarlijks 6 miljard euro in onderzoek en ontwikkeling.
Ook op het vlak van productie hebben we een stevige footprint, met een sterke logistiek, ondersteund door een wereldhaven en internationale luchthavens. Dat vertaalt zich in 70 miljard euro export per jaar. Ongeveer de helft is bestemd voor Europa en 20 procent voor de VS – wat vandaag een kwetsbaarheid is.
Doordat de volledige keten in één land geconcentreerd is en België centraal in Europa ligt, zijn samenwerking en kennisdeling relatief eenvoudig. Dat maakt van België een echte ‘farmavalley’.
Kunt u nog een concreet voorbeeld geven van die meerwaarde?
Ziekenhuizen, artsen en verplegend personeel zijn snel mee met de nieuwste ontwikkelingen, wat bijdraagt aan een zorgsysteem dat internationaal tot de top behoort – ook op vlak van preventie en vaccinatie.
Daarnaast is er de werkgelegenheid: onze sector stelt ongeveer 44.500 mensen rechtstreeks tewerk. Elke job in de biofarmasector creëert ruwweg twee extra jobs buiten de sector, goed voor in totaal meer dan 140.000 banen.
“Als sector moeten we in de spiegel durven kijken en oog hebben voor die ethische dimensie. Tegelijk vragen wij ook dat er rekening wordt gehouden met de bedrijfseconomische realiteit.”
Wat is de rol van universiteiten binnen dat ecosysteem?
Binnen universiteiten lopen heel wat onderzoeksprogramma's, vaak mee gefinancierd door de biofarmasector. Veel onderzoek komt tot stand dankzij die publiek-private samenwerking.
Talentontwikkeling is daarbij essentieel. Als industrie bereiken we in universiteiten veel profielen met een uitstekende opleiding. Naast farmaceutische of medische richtingen, winnen ook data science en AI aan belang. Dat zijn de domeinen van de toekomst, ook voor de biofarmaceutische industrie. Geneesmiddelen worden steeds meer gepersonaliseerd, zeker in de oncologie, waar gewerkt wordt met grote datasets, en waarbij AI helpt om snel gerichte targets te identificeren.
Een belangrijk aandachtspunt is de vertaalslag van wetenschappelijk onderzoek naar de markt. Daarbij stuit onze sector op de zogenaamde ‘Valley of Death’: een fase waarin veel risicokapitaal nodig is om een wetenschappelijke doorbraak verder te ontwikkelen. Binnen universiteiten spelen tech transfer offices daarin een belangrijke rol, zoals LRD aan KU Leuven.
De ontbrekende schakel blijft voldoende venture capital, dat in België zorgwekkend afneemt. Universiteiten moeten daarom versneld inzetten op ondernemerschap en strategische expertise. Hoe kijkt u naar die economische dimensie?
Die is essentieel. Ondernemerschap – het zien van kansen maar ook van financieringsmogelijkheden – is cruciaal voor onze toekomst, zeker in de huidige geopolitieke context. Biofarmaceutisch onderzoek is lang en risicovol: gemiddeld leidt een traject pas na tien à vijftien jaar tot een geneesmiddel. Bedrijven hebben daarom een stevige kapitaalbasis nodig om de risico’s te dragen.
Er zijn drie manieren om de ontwikkeling van beloftevolle innovaties tot een daadwerkelijk geneesmiddel te financieren: via staatssteun, zoals in China, via venture capital, zoals in de VS, of via herinvestering van bedrijfswinsten. Dat laatste blijft essentieel.
Om dat traject vol te houden, moeten bedrijven kunnen blijven investeren in onderzoek en in het op de markt brengen van nieuwe geneesmiddelen. Een op waarde gebaseerde prijszetting is daarbij cruciaal. Klinische studies kosten gemiddeld 1,5 miljard euro per geneesmiddel. Bedrijven herinvesteren 25% van hun omzet in nieuw onderzoek. Zonder dat model valt de pijplijn stil. Die economische realiteit blijft in het maatschappelijk debat vaak onderbelicht.
Nochtans komt ons systeem hierdoor onder druk te staan, zeker in het huidige klimaat waar regio’s steeds meer hun eigen belang vooropstellen. Ongeveer 60% van de wereldwijde omzet van innovatieve geneesmiddelen wordt gerealiseerd in de VS. Als die Amerikaanse markt onder druk komt te staan, heeft dat onvermijdelijk gevolgen voor toekomstige investeringen.
“Als industrie bereiken we in universiteiten veel profielen met een uitstekende opleiding. Naast farmaceutische of medische richtingen, winnen ook data science en AI aan belang.”

Hoe kijkt u naar de link met Access-To-Medicines (ATM)?
Interdisciplinariteit lijkt me vanzelfsprekend voor een sector die zo nauw gelinkt is aan één van de basisbehoeften van een bevolking. Toegang tot geneesmiddelen is wereldwijd een belangrijk thema, net als de ethische dimensie. Wat ik soms mis, is aandacht voor de economische realiteit.
Ik hoor vaak: “De geneesmiddelen zijn er. Hoe zorgen we ervoor dat iedereen er toegang toe heeft?” Alsof ze enkel nog verdeeld moeten worden. Nee, ze zijn het resultaat van zware investeringen en lange trajecten. De discussie over intellectuele eigendomsrechten – en of farmaceutische bedrijven er al dan niet een waiver op moeten geven, zodat anderen die geneesmiddelen goedkoper kunnen produceren – ligt in de sector zeer gevoelig.
Als intellectuele eigendomsrechten wegvallen, verdwijnt de incentive om te investeren. Voor commerciële bedrijven is het behoud ervan essentieel. Wanneer een geneesmiddel op de markt is, stopt het bovendien niet: bedrijven blijven vaccins en behandelingen opvolgen op veiligheid en langetermijneffecten.
Is het water daar te diep tussen ATM en uw sector?
Nee, absoluut niet – er is net veel dialoog. Als sector moeten we in de spiegel durven kijken en oog hebben voor die ethische dimensie. Tegelijk vragen wij ook dat er rekening wordt gehouden met de bedrijfseconomische realiteit.
Er bestaan veel internationale initiatieven waarbij onze leden bijdragen aan toegang tot levensreddende geneesmiddelen in de Global South. Ik zou dus niet zeggen dat het water te diep is, of dat we de dialoog moeten vermijden. Die dialoog is essentieel, net als wederzijds begrip.
Wat zijn naast financiering belangrijke uitdagingen voor uw sector?
We mogen niet blind zijn voor de wereldwijde veranderingen. Europa – en zeker België – heeft altijd nauw samengewerkt met de Verenigde Staten, maar de geopolitieke context verschuift. De VS koppelt markttoegang steeds explicieter aan lokale investeringen, waardoor investeringen naar de VS dreigen te verschuiven.
Die markt is bijzonder belangrijk: de FDA keurt geneesmiddelen sneller goed, met quasi onmiddellijke toegang tot die innovaties – in sommige gevallen tot ongeveer twee jaar sneller dan in Duitsland. Dat maakt de VS erg aantrekkelijk. Bovendien zijn ze bereid om voor innovatie te betalen.
In 2025 werden in de VS voor meer dan 300 miljard dollar aan nieuwe investeringen aangekondigd. Dat zijn investeringen die niet in Europa zullen plaatsvinden. Heeft dat morgen al effect? Niet onmiddellijk, maar wel binnen vijf of tien jaar.
Daarnaast klopt het beeld van China als copycat niet langer. In sommige domeinen, zoals cel- en gentherapieën, staat China vandaag voor op Europa. Dat kan leiden tot afhankelijkheid voor innovatieve zorg. Daarmee hebben we veel te verliezen, en dat kan ons ecosysteem in het hart treffen.
“Niet enkel onze interne markt, maar ook die internationale openheid zal uiteindelijk bepalen of onze sector zijn toppositie behoudt.”
Wat moet er concreet gebeuren?
We moeten blijven geloven in onze wetenschappelijke excellentie en blijven investeren in onze universiteiten en onderzoeksinstellingen, zodat zij wetenschappelijke pistes verder kunnen ontplooien. Fiscale maatregelen zoals vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers, blijven cruciaal om competitief te blijven.
Daarnaast moeten we sterker inzetten op vermarkting en terugbetaling. Het kan niet dat innovaties die hier ontwikkeld en geproduceerd worden niet worden terugbetaald.
Ook snellere toegang is nodig. In België duurt het bijna twee jaar voor een geneesmiddel wordt terugbetaald; in Duitsland gebeurt dat quasi onmiddellijk. Slechts de helft van de in de recentste jaren door het EMA goedgekeurde geneesmiddelen wordt in België vandaag terugbetaald, tegenover 90% in Duitsland. Op lange termijn is die situatie niet houdbaar. Dat zal onze aantrekkelijkheid aantasten, zeker in een context waarin globalisering steeds moeilijker wordt.
Tot slot blijft open wereldhandel essentieel. Handelsakkoorden en internationale markten zijn noodzakelijk om onze excellentie te versterken en te behouden, ook in termen van export. Niet enkel onze interne markt, maar ook die internationale openheid zal uiteindelijk bepalen of onze sector zijn toppositie behoudt.
Els Brouwers