Interview

“Diversiteit is geen project. Het is ons DNA”

In gesprek met vicerector Tom Van Puyenbroeck over democratisering, excellentie, internationalisering, studenten en alumni.

Lees verder

We ontmoetten vicerector Tom Van Puyenbroeck in de prachtig gerestaureerde kantoren van het Rectoraat in de Naamsestraat 22 in Leuven. Bij de hartelijke verwelkoming zegt hij dat hij “nog elke week iets bijleert” na zijn start als vicerector in augustus 2025. In zijn huidige rol kruisen studentenbeleid, diversiteit, welzijn, financiering, internationalisering, diversiteit en alumniwerking elkaar voortdurend. “Je merkt pas in deze positie hoe alles met alles samenhangt,” zegt hij. “Je kunt niet aan één draad trekken zonder dat die aan tien andere vastzit.” Het is precies in die verwevenheid dat één zin telkens terugkeert. “Diversiteit is geen project. Het is ons DNA.”

Vicerector Tom Van Puyenbroeck, bevoegd voor studentenbeleid, alumnibeleid en diversiteit, en gewoon hoogleraar FEB: “De eerste maanden waren intens. Ik had het geluk dat ik vanuit mijn vorige verantwoordelijkheden — onder meer rond studenten- en diversiteitsbeleid — al veel zaken kende. Dat helpt. Maar eindverantwoordelijkheid dragen is nog iets anders. Dan voel je dat beslissingen impact hebben op duizenden studenten. Het strategisch plan van de rectorale beleidsploeg ligt inmiddels in eerste lezing voor en wordt breed afgetoetst. Die consultatieronde is geen formaliteit. Een universiteit werkt alleen als mensen zich gehoord voelen. Anders verlies je draagvlak.”

Democratisering

Het debat over diversiteit wordt vaak gevoerd alsof het een breuk is met het verleden. Van Puyenbroeck ziet eerder continuïteit. “Honderd jaar geleden zaten er amper vrouwen aan de universiteit. Daarna, in de jaren ‘60 en ’70 kwamen arbeiderskinderen, beursstudenten, pioniersstudenten. Elke generatie daarna beschouwde haar eigen toegang als normaal, terwijl die ooit bevochten was.”

“Wat vandaag gebeurt, past in die lijn. Alleen is de huidige golf complexer. Je hebt sociaal-economische factoren, culturele factoren, internationale mobiliteit, anderstaligheid. Het stapelt zich op.” Democratisering betekent voor de vicerector niet nivelleren, maar wel verbreden zonder te verzwakken. “Een universiteit die zich afsluit, verliest intellectueel. Maar een universiteit die haar kwaliteitsnormen loslaat, verliest ook. De kunst is beide – diversiteit én excellentie - te combineren.”

Diversiteit als academische noodzaak

“In onze opdrachtverklaring staan onderzoek, onderwijs en dienstverlening als onze kernopdrachten. Maar diversiteit wordt in die verklaring evenzeer uitdrukkelijk benoemd.” Dat is volgens hem geen moreel statement alleen. “Wetenschap floreert bij tegenspraak. Onderwijs wordt rijker wanneer studenten verschillende perspectieven krijgen én meebrengen.” Hij wijst ook op de financieringsrealiteit. Universiteiten opereren binnen een gesloten enveloppe. “Als je demografische en sociologische evoluties negeert, verlies je marktaandeel.” Maar zelfs zonder financiële logica blijft diversiteit inhoudelijk essentieel. “Het is geen sociale bijlage. Het is een intellectuele meerwaarde.”

Toegankelijkheid en excellentie: de lat blijft hoog liggen

Het klassieke spanningsveld tussen toegankelijkheid en excellentie is volgens hem geen tegenstelling. “Toegankelijkheid betekent niet dat je de lat verlaagt.” Hij gaat verder met dat beeld van de lat: “De lat blijft waar ze ligt. Maar je kunt erover met verschillende aanlopen. Niet iedereen start met dezelfde voorbereiding. Daarom wordt ingezet op peer-assisted learning en rolmodellen. Als een medestudent aan een andere student zegt: ‘Ik heb daar vorig jaar ook mee geworsteld’, is dat meestal krachtiger dan wanneer een docent dat zegt, of eender welke beleidsnota. Diversiteitsresponsief onderwijs betekent niet versoepelen, maar bewust omgaan met heterogene doelgroepen.”

Studiesucces: structuur als bescherming

Er is een hervorming doorgevoerd in het traject dat de studenten moeten volgen. “Tot voor enige jaren bestond de situatie waarin sommige studenten te lang bleven hangen in flexibele trajecten, waardoor ze vakken bleven meesleuren. Dat heeft uiteindelijk hier en daar tot individuele drama’s geleid van studenten die na al die studiejaren toch hun diploma niet behaalden. Daarom hebben we het systeem van mijlpalen ingevoerd. Een student moet tijdens de eerste twee jaren 60 studiepunten behalen. Dat heeft duidelijkheid gebracht. Helderheid beschermt. De cijfers tonen verbetering. Voor bepaalde parameters zitten we terug op het niveau van de vroege jaren 90.” Structuur en ondersteuning zijn volgens hem geen tegenpolen. “Vrijheid zonder kader helpt niet altijd.”

Sense of belonging: meer dan welzijn

De zorg voor de mentale gezondheid is prominenter aanwezig aan KU Leuven dan vroeger. “De druk is groter. De wereld evolueert sneller. Studentenvoorzieningen werken nu dichter bij studenten.” Maar welzijn begint volgens hem eerder. “Het begint bij het gevoel dat je hier mag zijn: ‘sense of belonging’. Dat is geen modeterm, maar een randvoorwaarde voor studiesucces, waarvoor genoeg wetenschappelijke evidentie bestaat. Studenten die zich buitengesloten voelen, haken sneller af. Daarin spelen kringen zoals Ekonomika een cruciale rol. Een warme plek voor studenten kan het verschil maken tussen blijven voortstuderen en opgeven.” Verbondenheid is volgens hem een collectieve verantwoordelijkheid, niet enkel een taak van Studentenvoorzieningen.

“Voor KU Leuven is internationalisering essentieel. Voor de Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen was en is ze zelfs een groeimotor. Maar recente Vlaamse beleidsbeslissingen beperken de financiering van niet-Europese studenten tot 2% van het volume. Wij zitten daar ruim boven, en de faculteit nog meer. Dat verandert de financiële logica fundamenteel.”

Studentenparticipatie: van inspraak naar mede-eigenaarschap

Studentenparticipatie is vandaag de dag sterk uitgebouwd. “Ik denk niet dat er nog een raad is waarin geen studenten in zitten. Van permanente onderwijscommissies over de Duurzaamheidsraad en de Diversiteitsraad tot de Academische Raad, het Gebu, overal zijn de studenten structureel vertegenwoordigd. Dat is geen symboliek. Studenten houden ons scherp.” Met 65.000 studenten, waarvan zo’n 50.000 op de campus Leuven, is de structuur van KU Leuven complex. “Je moet helder zijn in rollen en mandaten.” Maar hij ziet participatie als kracht. “Wie mee beslist, voelt zich mede-eigenaar. Dat versterkt de legitimiteit.”

Internationalisering is strategische troef… en staat onder druk

“Voor KU Leuven is internationalisering essentieel. Voor de Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen (FEB) was en is ze zelfs een groeimotor. Maar recente Vlaamse beleidsbeslissingen beperken de financiering van niet-EER-studenten tot 2% van het volume (noot: niet-EER zijn in essentie niet-Europese studenten). Wij zitten daar ruim boven, en de faculteit FEB nog meer. Dat verandert de financiële logica fundamenteel.” Publiek klinkt immers de vraag waarom Vlaamse middelen naar studenten van buiten Europa zouden moeten gaan? “Dat is begrijpelijk,” zegt Tom Van Puyenbroeck “Maar veel van die studenten blijven hier achteraf wél werken. In tijden van arbeidskrapte moet je nadenken of je talent wil aantrekken of afstoten.”

“Het spanningsveld is reëel. Uitgaven en inkomsten kloppen niet meer vanzelfsprekend. Dat is een zorg.” Maar terugplooien ziet hij niet als optie. “Een universiteit die zich afsluit, verliest relevantie. We zullen mogelijk wel selectiever moeten zijn bij het toelaten van niet-EER-studenten. Let wel: daarmee zeg ik niet dat die selectie uitsluitend een kwestie is van financiële bijsturing. En als economist voeg ik daar meteen aan toe dat het ten gronde zelfs niet duidelijk is in welke mate niet-EER studenten prijsgevoelig zijn. Neen, er spelen hier wat mij betreft ook nog andere overwegingen: ik zie dat een deel van de buitenlandse studenten vandaag schrikt eens ze hier een aantal weken zijn en ten volle beseffen wat leven en leren aan onze universiteit inhoudt. Moet ons verwachtingsmanagement niet beter geëxpliciteerd? En bovendien: de betrachting om elke student snel bij de voor hem of haar juiste opleiding te krijgen, binnen of buiten onze universiteit, speelt wars van welke nationaliteit dan ook, maar is precies daarom ook voor de niet-EER studenten van belang.”

Alumni: netwerk en gemeenschap

Alumni worden steeds meer erkend als strategische stakeholders. “Alumni zetelen in kwaliteitscommissies, fungeren als mentoren, versterken de reputatie als ambassadeurs van de universiteit.” Maar professionalisering van de alumniwerking aan de universiteit roept vragen op. “Wanneer structuren formeler worden, kan het gevoel ontstaan dat vrijwilligers minder ruimte hebben. De onderliggende vraag: ‘wat is het alumninetwerk’ stelt zich. Is het een centraal beheerd netwerk? Of een gemeenschap die zich ook zelf organiseert? Ongetwijfeld is het een combinatie van die twee, maar net daarom dien je de twee aspecten wel op je radar te blijven houden.”

De spanning zit in de balans tussen efficiëntie en betrokkenheid. “Het is een werkstructuurvraag. Hoe organiseer je samenwerking zonder dat vrijwilligers uit bv. de Kringen zich toeschouwer voelen? Centralisatie vanuit de universiteit kan de efficiëntie verhogen, maar tegelijk ook afstand creëren. Afstand is dodelijk voor engagement. Alumni maken integraal deel uit van onze universitaire gemeenschap.”

Mentoring: lakmoesproef voor vertrouwen

Het is bewezen dat ‘mentoring’ tastbare resultaten oplevert, dat studenten met een mentor meer kans op succes hebben dan studenten zonder mentoring wanneer ze daar behoefte aan hebben. In het bedrijfsleven is mentorship al langer ingeburgerd. KU Leuven ziet mentoring als een testcase. “Daar ben ik echt een believer in.” Maar hij erkent de spanning. Niet iedereen die mentor wil zijn, is automatisch geschikt. “Mentoring is geen vrijblijvende babbel. Het is een engagement. De universiteit moet duidelijke verwachtingen formuleren. Je begeleidt, je dicteert niet. Mentoring mag geen LinkedIn-connectie worden. Liever minder mentoren met duidelijke engagementen dan een lange lijst zonder opvolging. Als het goed loopt, versterkt mentoring de band tussen studenten en alumni.”

Vier jaar later

Op de vraag wat studenten over vier jaar zullen zeggen, blijft hij voorzichtig. “Dat is een hypothetische vraag.” Even stilte. “ Ik ga geen grote beloftes doen, wél mijn verantwoordelijkheid nemen. Je doet je werk zo goed mogelijk. En dan zullen zij oordelen.”

Aan het einde van het gesprek komt de vicerector terug op zijn kernzin: “Diversiteit is geen project. Het is geen tijdelijke beleidslijn die weer verdwijnt. Het is de manier waarop een universiteit zichzelf begrijpt. Het is wie we zijn, het zit in ons DNA. En wie dit ernstig neemt, moet blijven balanceren tussen toegankelijkheid en excellentie, tussen internationalisering en financiering, tussen professionalisering en betrokkenheid. Dit is geen eenvoudige opdracht.” Maar volgens hem wel de enige juiste.

Fa Quix en Freddy Nurski