Een academisch leven in beweging
Gesprek met professor emeritus Piet Vanden Abeele. Lees verder
Wat beschouwt u als de hoogtepunten van uw academische loopbaan?
Piet Vanden Abeele: Ik denk niet zozeer aan afzonderlijke topmomenten. Ik heb het gevoel dat ik mijn hele loopbaan lang in een rijke academische omgeving mocht werken, op een hoog niveau… met soms wel eens een dipje. Ik begon met Toegepaste Economie in 1964, in de ‘prehistorie’ zeg maar. Geboeid door mijn toenmalige prof psychologie, Kriekemans, combineerde ik die opleiding met psychologie. In 1970 trok ik naar de VS, Stanford University, dankzij een beurs van de Ford Foundation.
Het internationale heeft mij als ambitie, visie en studieobject gefascineerd, ook na mijn aanstelling aan KU Leuven in ‘74. De universiteit bood mij enorme mogelijkheden als onderzoeker, docent en bestuurslid. Dat alles, apart en gecombineerd, bood me een ongemeen boeiend leven in een stimulerende omgeving. Ik ben ‘met mijn gat in de boter gevallen’.
Wat mij doorheen dat alles zeker ook gemotiveerd heeft is te kunnen bijdragen aan inhoudelijke verdieping en institutionele opbouw, in mijn vakgebied, mijn faculteit en universiteit.
Welke verwezenlijkingen springen er voor u uit?
Zoals ik al zei, zouden wij het misschien eerder moeten hebben over wat ik niét gedaan heb, nagelaten heb of niet in gelukt ben. Maar als je mij toch dwingt iets goed te zeggen over mezelf, dan zou ik de klemtoon leggen op de wetenschappelijke versterking van onze discipline en op de structurele uitbouw van de faculteit. Neem, wat het eerste betreft, de wetenschappelijke uitbouw in mijn domein, marketing. Dat domein was in mijn studententijd zo niet afwezig, dan toch erg pragmatisch, praktijkgericht. Maar een universiteit heeft toch een wetenschappelijke, academische hoofdopdracht.
Ik heb er samen met collega’s, ook die uit andere disciplines, op ingezet om het vak academisch te verankeren, met aandacht voor kritische vraagstelling, methodologie en onderzoek. Doctorandi moesten daarvoor worden aangetrokken, gevormd en gemotiveerd en een doctorale vorming moest op poten gezet worden. Er moest een vakgroep uit de grond gestampt worden, een ploeg gesmeed. Als je onze faculteit vandaag bekijkt denk ik dat je daar het resultaat van kunt zien, in alle vakgebieden.
Ik hechtte veel belang aan de toenadering tussen ‘zuivere’ economie en -economen en ‘toegepaste’ economie en -economen. Dat was een wetenschappelijke, maar nog meer een menselijke uitdaging. De ‘zuiveren’ en de ‘toegepasten’ bekeken elkaar met argwaan en verloren energie en kansen aan het bedrijven van een zero-sum-game. Maar er werden bruggen gebouwd en dat heeft de faculteit geholpen een hoge vlucht te nemen.
“Economie staat vandaag veel meer open voor psychologie, sociologie, logica en ethiek dan vroeger”
Hoe zijn de opleidingen in uw vakgebied in de loop der jaren veranderd?
De belangrijkste evolutie is zonder twijfel de wetenschappelijke verdieping. Toen ik zelf begon waren veel vakken zeer praktijkgericht: ‘doen’ eerder dan ‘denken’, hier en daar zelfs folkloristisch. Vandaag is elk vak theoretisch en methodologisch onderbouwd en evidence-based. Formeel denken, objectivering, statistiek, data-analyse en vooral kritisch uitdagend denken zijn daar essentieel in geworden. Het is soms wat te ernstig, te veeleisend… Dat betekent dat je heel wat moet investeren in je eigen vakgebied: verdiepen, specialiseren. Het gevaar is dan dat je gaat navelstaren, ‘vakidiotie’ loert dan om de hoek.
Gelukkig is parallel daarmee de interdisciplinariteit toegenomen: van de vakken en de vorming, van professoren, onderzoekers en studenten. Economie staat vandaag bijvoorbeeld, veel meer dan vroeger, open voor psychologie, sociologie, logica en ethiek. Ik hoop te hebben kunnen bijdragen tot meer interdisciplinaire openheid, o.m. in de vorming en in de uitbouw van het docenten- en vorserskorps.
Verder waren of zijn er een aantal veranderingen die ons worden opgelegd en die wij hopelijk als opportuniteit hebben benaderd of nog benaderen. Denk aan de bachelor-master hervorming. Ik vrees dat de universiteit, niet enkel de onze, te zeer de neiging had haar vleespotten te beschermen eerder dan de mogelijkheden te baat te nemen die deze hervorming bood.
Op dit ogenblik is de digitalisering een enorme uitdaging, en dus weer een grote kans. Wie nu de lakens uitdeelt, ook in de faculteit, staat voor de opdracht te maken dat de opportuniteiten daarvan op het vlak van denken, leren en werken niet worden gemist. Neem nu bijvoorbeeld AI en wat die betekent voor het eindwerk van studenten. Het maken van een literatuuroverzicht kunnen ze toevertrouwen aan die technologie. Geen zin zich daartegen te verzetten. Maar het ‘begrijpend lezen’ van wat de AI produceert wordt daardoor belangrijker, en nog meer het kunnen uitwerken van een eigen onderzoek.
Welke grote uitdagingen ziet u vandaag voor het academisch onderwijs?
Wij hadden het daarnet al wat over. Ik zou het nog even willen hebben over de digitalisering van de communicatie en van het onderwijs. Wat betekent ‘universitair onderwijs’ wanneer zoveel hoogwaardige colleges en cursussen online beschikbaar zijn? Moeten professoren nog live groepen onderwijzen in auditoria? Moeten studenten om een universitaire vorming te genieten nog naar Leuven komen, er rondlopen, er verblijven? Laat ons dan niet vergeten dat studeren meer is dan kennisoverdracht en het behalen van een ezelsvel. De universiteit is vooral een gemeenschap waar studenten samen leven, debatteren en zich als mens vormen.
De uitdaging bestaat erin die academische gemeenschap te bewaren, terwijl we tegelijk inspelen op nieuwe vormen van leren en van levenslange vorming. Daarbij een anekdote: toen ik (als vicerector) de leiding had van de Kortrijkse campus, en daarom in Kortrijk resideerde, was ik rond het jaar 2000 ongeveer de eerste aan de KU Leuven die digitaal les gaf. Ik was in Kortrijk, mijn studenten keken vanuit Leuven. Dat was op zich al een schok voor de Leuvense collega’s: die konden zich nog wel voorstellen dat je met digitale middelen les zou geven vanuit Leuven naar Kortrijk, maar het omgekeerde leek ze zowat hetzelfde als water bergop doen vloeien. En de Kortrijkse studenten hadden snel geleerd dat wat ik ze daar in een auditorium onderwees, ook digitaal kon gevolgd worden. Kortrijkzanen kwamen mij dan vragen of dat mocht en vooral … wat dan zou gelden als ‘examenstof’: de lessen in het auditorium of die op het scherm? De digitalisering veroorzaakt een dynamiek die je dwingt tot nadenken over wat je wil onderwijzen en hoe je dat wilt doen. Boeiend!
“Jonge mensen zoeken zin in het leven en willen zinvol werk doen. Het is niet duidelijk of dominante economische patronen daar vandaag aan voldoen.”
Welke uitdagingen ziet u voor jonge economisten vandaag?
Die starten nu in een wereld die geopolitiek en maatschappelijk volop in beweging is. De klassieke vanzelfsprekendheid van het Amerikaans maatschappelijk en economisch model is in het geding. Europa moet zich heruitvinden binnen een multipolaire wereld waarin andere machten groot worden en alternatieven bieden.
Het wordt stilaan ook duidelijk dat daar een morele dimensie aan is. Neem de Nederlandse historicus/antropoloog/filosoof Rutger Bregman, met de jaarwisseling nog uitgenodigd om de Reed Lectures te geven op de BBC. Hij predikt zowat het omgekeerde van de hebzucht en omkoopbaarheid (‘venality’) die nu in Washington heersen. Jonge mensen zoeken zin in hun leven en wensen zinvol werk. Het is niet duidelijk dat dominante economische patronen daar vandaag aan voldoen. Bregman heeft het over BS (bullshit) Jobs. Het vermogen om te objectiveren, kritisch en zelfrelativerend te denken is daarom essentieel. Een brede(re) vorming is daar voor mij een essentiële weg toe.
U heeft bedrijven en publieke instellingen geadviseerd. Wat was daar uw rol?
Ik was van huis uit bekend met ondernemerschap en vond het noodzakelijk en ook prettig om een rol in advies en bestuur op te nemen bij bedrijven als Lingerie Van de Velde, Philips, Bekaert en de kledingketen JBC. Een academicus in de geneeskunde heeft nood aan klinische ervaring, die in de bedrijfskunde aan contact met het bedrijfsleven. Soms ging het voor mij dan om klassieke marketingvragen, bij voorkeur in een context van high tech: marketing als strategische vertaalslag tussen technologie en toepassing.
Een andere rol was die van bemiddelaar of stootkussen tussen mensen, opinies en generaties. Ook het voorzitterschap van de Jury voor Reclame-Ethiek vond ik bijzonder boeiend: daar kon ik van dichtbij de confrontatie tussen economische logica en maatschappelijke verantwoordelijkheid ervaren.
Welke plannen heeft u nu u emeritus bent?
Ik word dit jaar 80! Ik voel mij een 17-jarige in het lijf van een oude zak (lacht). Na een bewust afscheid van het facultaire leven kon ik nog 15 jaren actief blijven, onder meer in de ontwikkelingssamenwerking van de KU Leuven met Ecuador. Covid heeft daar, en achter nog wat andere activiteiten, een punt gezet. Soms is het goed om met iets te stoppen of hopeloze projecten aan de palliatieve zorg over te dragen.
Wat ik vandaag nog doe, behalve blijven ademen? Nogal wat energie gaat naar klassieke muziek: gitaar en renaissancezang. Ook Tai Chi en jogging blijven een vaste waarde, al rammelt het koetswerk wat en moet er af en toe een stuk vervangen worden (grijnst).
Wat de faculteit en de universiteit betreft, beperken mijn activiteiten zich tot het occasioneel gebruikmaken van mijn parkingprivileges op de Hogen Heuvel (knipoogt), het sporadisch adviseren van doctorandi en mijn deelname aan het bestuur van de Hoover Foundation for the Development of the University of Leuven. Die viert dit jaar haar eeuwfeest. Elke Lovaniensis zal die indirect wel kennen, want dankzij de Hoover-stichting staat er een Universiteitsbibliotheek op het Ladeuzeplein, met daarin een beiaard.
Ik ben dankbaar voor dat alles.
Fa Quix en Freddy Nurski Foto: Hettie De Kruijf