Hij begon met enkele statistieken die aantonen dat België Europese koploper is in subsidies aan bedrijven. Zelfs wanneer we de enorme subsidies aan overheidsbedrijven er uit halen, blijkt België met 4% van het bbp zowat dubbel zoveel subsidies te geven als de andere EU-landen. ‘Misschien geeft China nog meer subsidies, maar in Europa wint België’, aldus Leo Sleuwaegen. Zijn centrale vraag was/is: zijn we in België eigenlijk wel goed bezig?
Leo Sleuwaegen vertrok van cijfers op basis van de Europese definitie van ondernemingssubsidies (exclusief non-profit en overheidsbedrijven – dus zonder bijvoorbeeld de circa €3 miljard per jaar aan spoorbedrijf NMBS). België besteedt bijna 4% van het bbp aan bedrijfssubsidies. Opvallend is dat landen zoals Nederland met aanzienlijk minder subsidies (ca. 2% van het bbp) economisch beter presteren en hoger scoren op het vlak van competitiviteit. Het welvaartsverschil tussen België en Nederland groeit. Voor Sleuwaegen is dat geen detail, maar een alarmsignaal.
Wat is volgens een econoom een “goede subsidie”? Sleuwaegen: ‘De economische logica is helder: subsidies zijn enkel verantwoord wanneer ze positieve externaliteiten creëren — activiteiten die maatschappelijk waardevol zijn maar onvoldoende door de markt worden beloond. Denk bv. aan: Onderzoek en Ontwikkeling, Onderwijs, Infrastructuur. Maar, zo stelde Sleuwaegen scherp: het Belgische subsidiebeleid volgt die logica nauwelijks. ‘Ongeveer twee derde van de Belgische bedrijfssubsidies zijn loonsubsidies (bv. vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers, nachtarbeid, dienstencheques). En veel daarvan gaat naar traditionele sectoren. De loonkosten zijn zo hoog dat men die kost gaat subsidiëren!’
Hier wringt het volgens hem fundamenteel het schoentje: ‘België creëert extreem hoge loonkosten. Om die vervolgens te subsidiëren, waardoor een vicieuze cirkel ontstaat: in plaats van de competitiviteit te versterken, corrigeert de overheid zo haar eigen beleidsfouten. Een treffend voorbeeld zijn de dienstencheques. Die bleken nodig om huishoudhulp terug in de markt te krijgen, weliswaar ten koste van zware subsidies.
Industriebeleid: overheid moet geen winnaars kiezen
Leo Sleuwaegen: ‘Het subsidiebeleid is een kerninstrument van het industriebeleid: de overheid kiest bedrijven en sectoren die “belangrijk” worden geacht. Maar dat leidt tot een verkeerde allocatie van middelen en tot concurrentieverstoring. Lobbywerk komt in de plaats van marktwerking en dat creëert een afhankelijkheid van staatssteun; staatssteun die ten andere niet ‘gratis’ is want het kost de staatskas, dus de belastingbetaler, een bom geld. Ondertussen blijft de industrie krimpen. En weet wel, dat geldt niet alleen voor de zogenaamde traditionele industriële sectoren. Ook de hoogtechnologische industrie – nochtans cruciaal voor groei – neemt in relatief belang af.
Productiviteit: het echte probleem
Leo Sleuwaegen: ‘Economische groei in vergrijzende samenlevingen komt bijna volledig uit productiviteitsgroei. Maar er is een groot probleem: de productiviteit in de Belgische industrie stagneert. En ook in de diensten groeit ze amper. En dit alles ondanks de hoge R&D-uitgaven. Ja, België scoort sterk op R&D-input, maar… zwak op output. Wat brengt al die O&O op in termen van economische activiteit? De valorisatie – het omzetten van onderzoek in economische meerwaarde – blijft achter.
In de Verenigde Staten zijn de grootste R&D-spelers jonge technologiebedrijven. In Europa, en zeker ook in België, domineren klassieke, gevestigde ondernemingen (in automotive, chemie, farma, textiel …).
België volgt dit Europese patroon. Nederland daarentegen heeft de omslag gemaakt naar sterke digitale en dienstengerichte spelers. Een sprekend voorbeeld is ASML in Eindhoven. Dat is een wereldspeler in de productie van hightech machines voor de halfgeleiderindustrie (hoogtechnologische microchips), bijvoorbeeld voor AI-ontwikkelingen. “Ja maar, wij hebben toch ook het micro-elektronicabedrijf IMEC”, krijg ik dan als antwoord. IMEC is vooral een vermaard onderzoekscentrum waar voornamelijk buitenlandse topspelers R&D komen doen, zoals ook ASML. Maar de economische vruchten gaan vooral naar die bedrijven in hún land, en minder naar België. De spin-offs die IMEC in ons land heeft gerealiseerd zijn belangrijk maar vooralsnog onvoldoende om grootschalige effecten te realiseren. Tussen haakjes, de dienstensectoren die 80% van onze economie uitmaken krijgen amper O&O-steun.’
“We zitten met een complexe regelgeving en toenemende administratieve lasten. Met subsidies aan bedrijven bestrijden we de symptomen in plaats van de kernproblemen aan te pakken”
Een verstikkende economie
Het contrast tussen Nederland en België is dus groot. Het verschil zit volgens Sleuwaegen in de omarming van de marktwerking in Nederland. Hij sprak over een “verstikkende economie” in België: ‘We zitten met een complexe regelgeving en toenemende administratieve lasten. Met subsidies aan bedrijven bestrijdt België/Vlaanderen de symptomen in plaats van de kernproblemen aan te pakken, namelijk het gebrek aan marktwerking, aan concurrentie, de hoge kosten, waardoor “de creatieve destructie” niet echt kan werken. Subsidies verstoren dat proces, nieuwe bedrijven en sectoren krijgen hier nauwelijks een kans. Innovatie wordt hier vaak bejubeld, maar commerciële doorbraken blijven uit. Europa – en België in het bijzonder – zijn sterk in het maken van rapporten en plannen, maar minder in marktcreatie.’
‘Veel Belgische subsidies dienen vooral om structurele beleidsfouten te compenseren, niet om nieuwe groei te creëren.’
Vertrouwen in de markt herstellen
‘België belemmert de creatieve destructie. Je moet de markt vertrouwen. Want de markt zorgt ervoor dat écht de beste bedrijven winnen en groeien. Een overheid die ‘winnaars kiest’ met haar subsidiebeleid kan nooit zo efficiënt zijn als de markt. Want wie krijgt die subsidies? Vooral bedrijven en sectoren die goed kunnen lobbyen, en dus niet noodzakelijk de best presterende bedrijven en sectoren. De middelen gaan daardoor disproportioneel naar gevestigde sectoren.’
‘Jonge, snelgroeiende bedrijven vinden hier onvoldoende steun, en zijn bovendien al benadeeld omdat er geen echt geïntegreerde Europese markt is en geen diepe kapitaalmarkt die hun groei kan financieren. Er is een te versnipperd beleid, door teveel overheden. We zijn gevaarlijk aan het afglijden naar een staatsgeleide economie in plaats van een vrijemarkteconomie, niet alleen in België maar in heel de Europese Unie. Het gevolg is dat jonge, beloftevolle en succesvolle bedrijven naar de VS trekken. We moeten dus dringend het vertrouwen in de markt herstellen’
Sleuwaegen verwees ook naar ‘het Ierse model’ dat in het recente verleden massaal veel buitenlandse investeringen heeft aangetrokken door een bedrijfsvriendelijk klimaat, met bijvoorbeeld lage belastingtarieven en een performante infrastructuur. ‘Dat is eigenlijk wat België heeft gedaan in de jaren 1950 en ’60, met de expansiewetten: een gunstig kader creëren waardoor tal van multinationals hier fabrieken kwamen zetten. En met onder andere het indrukwekkende resultaat van de chemiecluster rond de haven van Antwerpen, nog altijd de eerste economische motor van ons land.’
Zijn conclusie was duidelijk: zonder schoktherapie en herstel van de creatieve dynamiek riskeren we verder weg te zakken inzake relatieve én absolute welvaart. We hebben nood aan: meer echte marktwerking, minder sectorale bescherming, minder complexe regelgeving, een efficiëntere overheid, en een focus op valorisatie en op schaal.
Nuancering uit het debat
In de discussie werd opgemerkt dat niet alle subsidies problematisch zijn. Innovatiesubsidies hebben wél bijgedragen aan technologische doorbraken, opperde een deelnemer. Sleuwaegen erkende dat het maken van een onderscheid tussen type van subsidies belangrijk is, bv. loonsubsidies versus subsidies voor onderzoek en innovatie. Maar hij hield vast aan zijn uitgangspunt dat het beleid meer vertrouwen moet hebben in de werking van de markt.
Fa Quix en Freddy Nurski