Veertig jaar na haar eerste vermelding in wat toen nog Ekonomika Berichten heette, blikt prof. dr. Cynthia Van Hulle terug op een rijke academische carrière. Wij hadden een boeiend gesprek over onderwijs, onderzoek, bestuur, en over haar passie voor woningrenovaties en kunstrestauratie.
Wat beschouwt u als de hoogtepunten van uw academische loopbaan?
Cynthia Van Hulle: Ik heb altijd met veel passie gewerkt binnen de drie universitaire pijlers: onderwijs, onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening. Ik heb zeer veel les gegeven — van eerste kandidaturen/bachelors over de masters tot de postgraduaten — omdat Finance aanvankelijk een kleine groep professoren omvatte en lange tijd enkel bestond uit prof. Lambert Vanthienen en mijzelf. Het contact met de studenten gaf me altijd veel energie. De herhaalde erkenning via de 'gouden krijtjes' betekende heel veel voor mij.
Inzake onderzoek publiceerde ik meer dan honderd artikels (ongeveer driekwart internationaal), schreef zes boeken en verzorgde heel wat jaren twee langdurig gebruikte cursusteksten (bedrijfsfinanciering en bank- en financiewezen). Binnen en buiten de KU Leuven nam ik tientallen advies-, managements- en bestuursopdrachten op, van kortlopend tot langdurig.
Welke verwezenlijkingen vallen op?
Ik werd in 2001 voorzitter van de raad van bestuur van een beursgenoteerde onderneming (Almancora, nu KBC Ancora) — een uitzonderlijke situatie voor een vrouw in die tijd, en het was nog vóór de quota voor vrouwen in 2013 werden ingevoerd. Ik was daar twaalf jaar onafhankelijk bestuurder en voorzitter. Ook heb ik de Franqui-leerstoel mogen bekleden in het kader van mijn onderzoek. Maar ik spreek eigenlijk niet zo graag over zogenaamde ‘hoogtepunten'. Ik heb namelijk alles graag gedaan, zeker het lesgeven. Maar ook het onderzoek en mijn bestuurlijke opdrachten. Dit blijft trouwens nog altijd zo op de dag van vandaag.
Hoe zijn de economische opleidingen in uw vakgebied in de loop der jaren veranderd?
Het onderwijs verschoof van nadruk op 'kennen' naar meer nadruk op 'kennen én kunnen'. Hiermee beweegt het onderwijs mee met de maatschappelijke noden. Zo is in de bedrijfswereld de graad van vereist ‘kennen en kunnen’ sterk toegenomen. Daar waar vroeger bedrijven typisch enkel een product aanboden, vraagt de klant steeds vaker oplossingen. En dat aanbieden vergt geïntegreerde competenties.
Tegelijkertijd is de academische lat een aantal dimensies hoger komen te liggen: leerstof die vroeger voor gevorderde masterstudenten voorzien was, komt vandaag vaak reeds heel wat vroeger in het curriculum aan bod. Dit heeft alles te maken met de vooruitgang van het onderzoek. Maar ik vermoed dat ook de betere maatschappelijke verspreiding van kennis hier een invloed uitoefent: materie die vroeger als eerder louter academisch en geavanceerd werd aangemerkt wordt vandaag binnen een steeds grotere groep van mensen als vereiste standaardkennis beschouwd. Academisch onderbouwde inzichten bieden immers houvast in een snel veranderende wereld. Onderwijs en onderzoek zijn nu ook nauwer verweven; tijdens de lessen wordt er meer dan vroeger een expliciete link met het onderzoek gelegd.
Welke grote uitdagingen ziet u vandaag voor het academisch onderwijs?
Studenten moeten niet alleen vakkennis opbouwen, maar ook leren omgaan met complexiteit: structuren en verbanden herkennen, het globale beeld zien en kritisch nadenken. AI en automatisering nemen zeker en vast steeds meer routinetaken weg, maar wat overblijft zijn de complexe vraagstukken en beslissingen. Academisch onderwijs moet daarom denkkracht ontwikkelen en theorie met praktijk kunnen verbinden.
Welke uitdagingen ziet u voor jonge economisten vandaag?
Jonge economisten zijn sterk en flexibel, gewend aan verandering en denken veel meer multidisciplinair dan oudere generaties. Binnen bedrijven werd er vroeger nog veel in ’silo’s’ gedacht en gewerkt. Maar de tijden zijn natuurlijk veranderd. Loopbanen zijn meer fluïde: je moet sneller kunnen schakelen en blijven bijleren. De uitdaging is permanente competentie‑ontwikkeling én het vermogen om snel nieuwe informatie te integreren. Zo moet je bij voorbeeld ook overzicht kunnen bewaren bij vraagstukken (toenemend in aantal) waar diverse domeinen tegelijkertijd een rol spelen (technologie, data, finance, strategie, HRM…). Voor ervaren professionals betekent dit: mee evolueren en breder kijken.
U heeft ook bedrijven en publieke instellingen geadviseerd. Wat is daar uw rol geweest?
Ik heb meer dan dertig bestuurs‑ en adviesfuncties waargenomen, waarvan vijftien in raden van bestuur. Met focus op financieel beleid, risicobeheer en corporate governance. Verder zetelde ik onder andere in de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, de Hoge Raad van Financiën, de Economic Risk Management Group (in de coronaperiode) en de privatiseringscommissie van GIMV. Ik adviseerde over portefeuillebeheer (Vlaamse zorgverzekering, pensioenfonds Vlaams Parlement) en werkte mee aan governance‑modellen voor ziekenhuizen en de non‑profitsector. In mijn huidige bestuursmandaten ondervind ik de toenemende complexiteit van het bedrijfsleven aan den lijve.
Hoe uit zich dat?
Ik observeer bijvoorbeeld de sterk toegenomen academische kennis binnen ondernemingen. Beslissen wordt tegelijkertijd meer en meer een kwestie van groepswerk omdat één persoon steeds vaker onmogelijk nog over alle benodigde kennis kan beschikken. Zo merk ik dat bij beslissingen op bestuursniveau niet enkel een diversiteit van domeinen een rol spelen maar dat die diversiteit in toenemende mate het louter economische overstijgt en dat juridische aspecten steeds vaker in de analyse worden betrokken; dit natuurlijk als gevolg van de juridisering van de maatschappij. Voor een professor blijft het echter wel fijn om te zien hoe de inzichten uit je eigen cursussen en die van je collega’s direct in beslissingsprocessen worden meegenomen! Zelf heb ik vaak een bijdrage kunnen leveren door het vertalen van academische inzichten naar beleid en de concrete bestuurspraktijk.
Welke plannen heeft u nu u emeritus bent?
Ik blijf lesopdrachten opnemen aan KU Leuven en bestuursmandaten vervullen. Daarnaast besteed ik veel tijd aan woningrenovaties. Ik zit intussen al aan mijn vijfde project! Het huis van mijn ouders is eindelijk klaar, en nu kan ik aan het mijne beginnen.
En misschien iets bijzonders: ik volg een opleiding restauratie van oude kunstwerken (vooral schilderijen en kaders). Elk kunstwerk is anders. En elke kunstenaar werkt anders. Daar moet je rekening mee houden. Zo is bijvoorbeeld bij de ene schilder de verf (of sommige delen ervan) instabiel en komt die er gemakkelijk van af bij het reinigen van het doek terwijl deze bij de andere netjes blijft zitten. Die variatie en focus maken het boeiend als tegengewicht voor mijn academisch werk.
Fa Quix en Freddy Nurski