Interview professor emeritus Patrick Van Cayseele

We ontmoetten een ontspannen professor Patrick Van Cayseele in een Leuvens restaurant. Sinds eind 2024 is hij met emeritaat en nam alle tijd voor een uitgebreid gesprek over zijn ‘werk en leven’.

LEES VERDER

"Ik ben eerder een micro- dan een macro-econonoom"

U bent in 2024 met emeritaat gegaan?

Patrick Van Cayseele: Mijn emeritaat werd gevierd op 18 september 2024, samen met collega-emeritus André De Coster. We organiseerden een congres met twee sporen: één voor mijn vakdomein en één voor dat van André. De meeste professoren en rectoren waarmee ik heb gewerkt, waren aanwezig. ‘s Avonds volgde een diner in de Faculty Club met 150 genodigden. Het congres bracht topsprekers van onder meer de Toulouse School of Economics (TSE), de Londen School of Economics (LSE), de Mannheim School of Economics (MSE) en Columbia University. Voor mijn luik werd het congres afgesloten met een policydebat over ‘Mededinging in de digital era’, met mijn doctoraatstudenten. Dries De Smet, wetenschapsjournalist voor De Standaard en voormalig doctoraatsstudent van mij, modereerde het debat.

Aan het debat nam ook mijn allereerste PhD-student deel, Theon van Dijk, voormalig directeur van het Europees Octrooibureau, later chief economist van de Nederlandse Mededingingsautoriteit en nu partner bij RBB. Daarnaast was er Griet Jans, chief economist van de Belgische mededingingsautoriteit. De derde deelnemer was Hans Zenger van directoraat-generaal Mededinging (DG Competition), en de vierde prof. Belleflamme van de UCL. Zij voerden een debat over big tech-bedrijven zoals Google en Microsoft en de mededinging. Eerder op de dag waren er heel wat wetenschappelijke uiteenzettingen over mededinging.

Bent u nu volledig gestopt?

Vorig academiejaar heb ik nog een college gedoceerd, en dat ga ik dit jaar opnieuw doen. Dus ik blijf nog verbonden voor één college.

U hebt ook lesgegeven aan de Université Notre Dame de la Paix in Namen en de Solvay School of Economics and Management (ULB)?

Ja, ik moest in Namen in het Frans lesgeven. Dat was niet gemakkelijk. De begrippen alleen al, neem ‘het probleem van de vrijbuiters’. In het Engels is dat eenvoudig: ‘free riders’. Maar in het Frans? Dat bleek ‘le passager clandestin’ te zijn. Voordat ik daar uit was … Maar daar is wel de inspiratie ontstaan om dat vak ook aan KU Leuven in te voeren, als ‘follow-up’ voor ‘Geld- en Kapitaalmarkt‘ van prof. Bob Vanes, die uit beeld was verdwenen. We hebben dat helemaal omgevormd naar Economics of Financial Intermediation. Dat heb ik tot oktober 2024 gegeven, samen met het vak Economische Aspecten van de Mededinging.

"Het uitgangspunt in het EW-departement dat elke prof een bachelorvak moet aankunnen, terwijl hij in de masters lesgeeft over zijn domein, is perfect haalbaar."

Uiteindelijk hebt u ook uw eigen onderzoeksgroep kunnen uitbouwen?

Ik ben begonnen toen Karel Tavernier vice-rector werd: macro-economie in tweede bachelor. Dat was niet direct mijn profiel, want ik ben eerder een micro- dan een macro-econoom. Maar ik was net terug van Northwestern University (Kellogg Graduate School) als visiting scholar en post-doc, waar ik had gewerkt met Nancy Stokey, de latere echtgenote van Nobelprijswinnaar Robert Lucas. Dat werk ging over macro-economie op lange termijn: theorie van economische groei, en dat vak zat ook in het pakket dat de KU Leuven me aanbood. Dus geen been gebroken.

Macro-economie in tweede bachelor behandelt de fluctuaties van macro-economische grootheden (werkgelegenheid, inflatie, rente …) rond de langetermijntrends. Macro-economie op lange termijn gaat over de trend zelf: zijn er game changers (diverse industriële revoluties, zoals de recente AI) en wat brengen die trendbreuken met zich mee?

Het uitgangspunt in het EW-departement dat elke prof een bachelorvak moet aankunnen, terwijl hij in de masters en advanced masters lesgeeft over zijn domein, is perfect haalbaar. Rond Theorie van de Economische Groei schreef ik een cursustekst voor studenten waarmee ik een ‘gouden krijtje’ won (noot: door de studenten verkozen als beste).

En kwam er weer een interessante opening door het vertrek van een andere prof?

Inderdaad. Toen prof. Theo Peeters CEO werd van Bank Brussel Lambert (BBL), nu ING, nam ik ook Inleiding tot de economie bij de burgerlijk ingenieurs erbij. Dat heb ik vijf jaar gedaan.

Ik kom uit de groep van prof Raymond De Bondt, vakgebied Industriële Organisatie (TEW). Op een bepaald moment zei hij: “Luister, ik wil mij focussen op innovatie en strategie. Alles wat mededinging en regulering aangaat, sluit dichter aan bij het departement EW. We focussen elk op ons deeldomein: jij op mededinging en regulering, en ik op innovatie en strategie.” Wat ook logisch is, want innovatie en strategie past meer bij een TEW-opleiding, terwijl mededinging en regulering beter aansluit bij EW.

En zo kon ik mijn eigen onderzoeksgroep uitbouwen. Het eerste wat ik deed als voorzitter van het departement Economie is prof Frank Verboven aantrekken. Dat was de start van een sterk team, met Jan De Loecker die na een schitterende carrière aan Harvard en Princeton gelukkig terug naar KU Leuven wilde komen, en Jo Van Biesebroeck, die vanuit Stanford ook terugkeerde. Zo ontstond onze onderzoeksgroep: IO@Leuven. Dit jaar vervrouwelijken we, want we konden Marleen Marra van de Paris School of Economics (PSE) en Laura Bignon van Toulouse School of Economics (TSE) aanwerven.

"Scouting is niet enkel belangrijk in voetbal maar ook in de academische wereld."

Maar ook LICOS en Vives kwamen daar tussen gefietst. Legt u dat eens uit?

Prof em. Herman Van der Wee kwam na de val van de Berlijnse muur in 1989 met het idee om een onderzoeksinstituut op te richten dat de voormalige Oost-Europese planeconomieën zou bijstaan in hun overgang naar een markteconomie. Dat werd LICOS. Hij werd de voorzitter van de Raad van Bestuur.

Bij zijn emeritaat vroeg hij mij om zijn opvolger te worden. Ik zei: “Ja maar Herman, ik ben een industrieel econoom en speltheoreticus, wat weet ik nu van Oost-Europa?” Herman wuifde dat weg door te stellen dat ik als Schumpeteriaan genoeg wist van creatieve destructie om er een instituut voor transitie-economie van te maken. Ik kreeg carte blanche om een directeur aan te werven. Tja, als de beste economische historicus van Europa (zijn Amerikaanse evenknie Joel Mokyr won net de Nobelprijs in 2025) je zoiets vraagt, zeg je niet snel nee. Tevens was ik goed bevriend met John Sutton, industrieel econoom aan de London School of Economics, en die tipte me een briljant student: Joep Konings, arbeidseconoom en doctoraatsstudent bij Nobelprijswinnaar Chris Pissarides (2010).

Na vele jaren van intensieve samenwerking met Joep – we publiceerden vier tijdschriftartikels, waarvan één in het gerenommeerde Review of Economics and Statistics – ontstond het idee om het Vlaams Instituut voor Economie en Samenleving (VIVES) op te richten, met Joep Konings als voorzitter.

Zo ging Joep zijn eigen weg, en wierf een van mijn PhD-studenten aan als directeur: Jo Reinaerts. Dus bleven de stukken allemaal in de familie (knipoogt). Ik moest wel op zoek naar een nieuwe directeur voor LICOS en vond die in prof Jo Swinnen.

Onderzoek is voor u altijd belangrijk geweest?

Ik was toen al zes jaar lid van de Onderzoeksraad van KU Leuven en drie jaar van het bureau ervan. De Onderzoeksraad werkt met in situ visitaties. Dat wil zeggen: als een prof geneeskunde een project voorstelt, gaat er een specialist van geneeskunde mee, maar ook iemand uit een andere groep, bijvoorbeeld uit de wetenschappen of humane wetenschappen. Daardoor ben ik op elk mogelijk departement van de KU Leuven geweest. Zo viel tijdens een visitatie bij de bio-ingenieurs mijn oog op Jo Swinnen. Scouting is niet enkel belangrijk in voetbal maar ook in de academische wereld (lacht).

In de Onderzoeksraad leer je de diverse disciplines kennen binnen één universiteit. Daarna ben ik naar het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) gepiloteerd waar ik zes jaar in de commissie voor economie en bedrijfswetenschappen heb gezeten, waarvan drie jaar als voorzitter. Daar zie je binnen één discipline al het onderzoek over alle Vlaamse faculteiten heen.

Van de 35 jaar heb ik 25 jaar - naast academisch onderzoek en onderwijs - ook administratief werk gedaan. En veel gepubliceerd.

Je bent wel geconfronteerd geweest met het komen en gaan van heel wat high potentials?

Juist! Na een tijd kreeg Jo Swinnen van het International Food Policy Research Institute (IFPRI) het aanbod om CEO te worden. IFPRI is een dochter van de Wereldbank en telt zo’n 300 economisten, verspreid over Azië, Afrika, Latijns-Amerika enzovoort. Dus vertrok Jo ook. Vermits we Methusalem-financiering hadden, impliceerde dat vertrek een stopzetting van de middelen: het wegvallen van een PI (Principal Investigator) doet de legitimatie voor Methusalem-financiering ophouden, want die dient net om te verhinderen dat mensen vertrekken naar het buitenland. Decaan Wilfried Lemahieu en rector Luc Sels – met wie ik 9 jaar heb samengewerkt als vice-decaan – hebben hemel en aarde verzet om daar een mouw aan te passen, maar het decreet van de Vlaamse Overheid is het decreet: Dura lex sed lex. Zodoende moest ik 250.000 euro subsidie per jaar afbouwen. Maar we zijn er toch in geslaagd om alle lopende doctoraten af te werken, door het gat op te vullen met competitieve middelen.

En heeft u opdrachten aanvaard buiten de universiteit?

Op een dag vroeg oud-rector Roger Dillemans via minister-president Luc Van den Brande, die hij goed kende, een adviseur voor zijn kabinet rond het verankeringsdossier. Zo ben ik twee jaar adviseur geweest van de Minister-President van Vlaanderen.

En met Maastricht 1991 moest elke nationale deelstaat een mededingingsautoriteit oprichten. In België was er bijna niemand die iets afwist van mededingingseconomie, en ik ruimschoots genoeg. Dus zei Luc Van den Brande tegen mij: ‘Ik zou toch mijn kandidatuur stellen.’ Ik heb dan twaalf jaar bij de Belgische mededingingsautoriteit gewerkt. Daar kwam mijn wetenschappelijke specialisatie in industriële economie helemaal samen met mijn kennis van mededinging. Het mededingingsbeleid is de laatste 25 jaar van mijn carrière mijn specialisatie geweest.

Ik ben ook zes jaar lid geweest van de raad van bestuur van Artesia Banking Corporation, vóór de fusie met het Gemeentekrediet in Dexia. Mijn kennis van banking kwam deels uit mijn opdracht Economics of Financial Intermediation en mijn doctoraatsonderzoek met prof Hans Degryse, die later naar Accounting, Finance en Insurance overstapte.

Naast traditioneel bankieren en relationship banking – waar Hans over doctoreerde en waarmee we samen een van de meest geciteerde artikels ooit publiceerden in het Journal of Financial Intermediation – richtte ik me vooral op betaalinfrastructuren. Ik ben 8 jaar consultant geweest bij Euroclear voor TARGET2- Securities (T2S), de Europese directieve die het groothandelsbetalingsverkeer regelt. Dat domein ken ik door en door.

In een grote Belgische agro-foodgroep, de zuivelcoöperatie Milcobel, heb ik 14 jaar in de raad van bestuur gezeten. Dat is een coöperatieve, dus de andere bestuurders waren melkveehouders. Daar was ik ... de professor die het vuur aan de schenen van de managers van een businessunit moest leggen!

"Met Ekonomika Alumni rijd je in een Rolls-Royce: binnen de kortste keren heb je een financieel comité voor sponsors en praktische ondersteuning."

U heeft dus een rijkgevulde loopbaan gehad?

Als je nagaat: van de 35 jaar heb ik 25 jaar naast academisch onderzoek en onderwijs ook administratief werk gedaan. En toch veel gepubliceerd: 40 internationale artikelen, 20 doctoraten begeleid en in 60 doctoraatscommissies gezeteld. Daarnaast was ik co-promotor van doctoraten in Gent, Girona en Groningen. Onderzoek is altijd de poot geweest die ik het liefste deed. Bijvoorbeeld via de Onderzoeksraad, het bureau van de Onderzoeksraad, het FWO, en negen jaar als vice-decaan Onderzoek bij Luc Sels – toen decaan van de Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen, nu ere-rector. En dan de ethische commissie, duaal en militair onderzoek. Dat is een moeilijke, want daar gaat het niet in eerste instantie over wetenschappelijke kwaliteit, maar over de gevaren die eraan vasthangen.

Maar ik ben het gewoon van veel op de hort te gaan. Daar kunnen we misschien ook nog iets over schrijven. Je weet, Fa had mij voorgedragen als voorzitter van de Vereniging voor Economie, de koepel van alumniverenigingen van de economische faculteiten in Vlaanderen. Ik heb dat vier jaar gedaan voor Ekonomika Alumni. Het enige belastende bij die vereniging was dat je de organisatie moest doen van het Vlaams Wetenschappelijk Economisch Congres (VWEC), om beurt in Leuven, Antwerpen, Gent, Brussel en op het einde ook Hasselt – al hadden die toen nog geen uitgebouwd netwerk. Met Ekonomika Alumni rijd je in een Rolls-Royce: binnen de kortste keren heb je een financieel comité voor sponsors, praktische ondersteuning en kun je je volledig focussen op het congresthema en het sprokkelen van referaten.

Je hebt ook een eigen consultancybedrijf opgericht?

Ja, maar ondertussen ben ik affiliated academic geworden bij een wereldwijde speler, NERA. De meesten kennen uiteraard de Big Four in audit, en McKinsey en Bain in business consultancy, maar in mijn wereld heb je spelers als NERA, E.Ca, Charles Rivers Associates International. Een affiliated academic is een academicus die toeziet op de wetenschappelijke onderbouw van wat de managing partner in het kantoor aanneemt – een beetje de tegenhanger in de privé van de Chief Economist bij de mededingingsautoriteit. NERA heeft 500 werknemers en veel meer kantoren dan academic affiliates. Zodoende overzien we meerdere kantoren: Prof Marc Ivaldi van de Toulouse School of Economics (TSE) doet dat voor Zuid-Europa, ikzelf voor Noord-Europa.

Op de interface van het academische en de consulting ben ik ook kernredacteur van het tijdschrift Competitio. De andere kernredacteurs zijn partners van Amerikaanse law firms zoals Allen & Overy, Cleary Gottlieb Steen & Hamilton en Stibbe. Dat is de consultancywereld van juridisch advies, maar mijn rol is om de bijdragen economisch na te lezen.

Tot slot: u heeft recent ook iets aparts gedaan, u heeft meegewerkt aan een boek over films, waarin economen een film bespreken?

Ja. Ik had in mijn vakgebied eigenlijk alles gedaan wat ik moest doen. Toen kreeg ik dit voorstel en dacht ‘Waarom niet? Laat ik mij nu eens amuseren.’ Het boek Filmonomics (zie boekbespreking in ECONnect van september 2025) vat zo’n twintigtal films samen en legt telkens de onderliggende economische aspecten uit. Ik heb als film ‘The Hateful Eight’ van Quentin Tarantino gekozen. Daarin heb ik bijvoorbeeld de economische waardering van het beroep… premiejager onderzocht!

Fa Quix en Freddy Nurski

"Onderzoek is altijd de poot geweest die ik het liefste deed."